(De vereniging zal in 2008 mede de viering organiseren van de Uitvinding van de Telescoop in Middelburg, dan 400 jaar geleden.)Een prachtig feest op 20 november 2007 met een grootse ontvangst, een receptie, een toespraak van de voorzitter met een korte geschiedenis van de vereniging. Gedeputeerde Van Waveren verhaalde hoe de oorspronkelijke naam “Sterrenwacht Middelburg” destijds veranderd was in Philippus Lansbergen om zo de provincie in zijn geheel te kunnen betrekken.
    Onder de aanwezige bezoekers waren ook twee Middelburgse wethouders, mevr. Kool-Blokland en dhr. De Vries. Zij gaven te kennen dat de Gemeente Middelburg mede wil nadenken over de invulling van het telescopenjaar 2008. Er waren drankjes en hapjes en als pronkstuk van de middag een lezing door Govert Schilling waarvan hier een beknopte samenvatting.
    Lansbergen zelf, heel leuk in oude dracht,was aanwezig om op het verloop van de middag controle te houden. Voor de pauze: Planeet X

     

    Image
    55 Cancri

     


    Govert Schilling vertelde voor de pauze de geschiedenis van de ontdekking van de planeten van ons zonnestelsel na de vijf die van oudsher bekend waren. Herschel ontdekte in 1781 Uranus verder weg dan Saturnus en Piazzi ontdekte in 1801 Ceres verhoudingsgewijs nabij. Er volgden Pallas en andere nieuwe objecten tussen Mars en Jupiter en men telde zo een groot aantal “planeten”, hoewel ze in volgorde van ontdekking hoe langer hoe kleiner bleken. Omstreeks de tijd dat Neptunus ontdekt werd in 1846 door Gottfried Galle, verloren Ceres en de andere bewoners van wat we nu de planetoïden gordel noemen, hun status als planeet. Ongeveer op de manier waarop nu Pluto tot ijsdwerg gedegradeerd werd.
    Er waren dus 8 planeten in het midden van de 19de eeuw. Onnauwkeurigheden in de banen van Uranus en Neptunus leidden tot de overtuiging dat er nog meer te vinden moesten zijn. Dan lukt het Clyde Tombaugh in 1930 op de Lowell sterrenwacht Pluto te vinden, maar de banen klopten toch nog niet. Tot 2006 was Pluto de negende planeet en men bleef ijverig zoeken naar de tiende planeet. Die zoektocht naar de tiende planeet, of planeet X, zoals die wel met veel gevoel voor publiciteit wel genoemd werd, leidde inderdaad in 2003 tot een lang gewenst succes. De ontdekkers noemden hem (of haar) Xena. Xena is een oorlogsprinses in een Amerikaanse TV strip en begint met de X van die tiende, geheimzinnige planeet. De IAU, Internationale Astronomische Unie, noemde hem voorlopig officieel 2003 UB313, maar in 2006 definitief Eris ( = Tweedracht: met maan Dysnomia = Wetteloosheid!). Alleen er werd in 2003 niet één planeetje (1,5 x Pluto) ontdekt, maar er werden nog vele andere gevonden. Sedna bijvoorbeeld, wel kleiner maar met een nog uitgestrektere, langere baan, wordt wel als Oort Wolk Object beschouwd. Het gevolg was de vraag: rekenen we die nu ook bij de planeten of zijn we aan een nieuwe indeling toe?Zo kwam na veel discussie de IAU op 24 augustus 2006 tot een nieuwe indeling van het zonnestelsel:
    1 Planeten. Je kunt de planeten dan weer verdelen in aardse planeten en gas reuzen en die gas reuzen dan in twee grote ( Jupiter, Saturnus 1000-700x volume aarde) en twee kleine (Uranus en Neptunus 50 x volume aarde).
    2 Dwergplaneten. Daartoe behoren Pluto, Ceres, en andere objecten die voldoen aan de definitie, waarbij bolvormigheid ten gevolge van massa het voornaamste criterium is.
    <3 Kleine hemellichamen. Tot de kleine hemellichamen behoort wat niet onder 1 of 2 valt: planetoïden, Kuiper Gordel Objecten (KBO’s), Oort Wolk Objecten en kometen. Samen zijn ze nog niet zo groot als de aarde. In het Engels de: "Small Solar-System Bodies". Kennis van ons eigen zonnestelsel is basis van en voorwaarde voor het zoeken naar planeten bij andere sterren als het ons er om gaat te weten of er exoplaneten zijn waarop leven mogelijk zou zijn.

    Na de pauze: Exoplaneten
    Het betoog van voor de pauze was meer bedoeld als voorspel en inleiding voor “Exoplaneten”, zoals de lezing oorspronkelijk aangekondigd was. Zijn er bij andere sterren ook planeten, zoals in ons zonnestelsel?
    Tot 1995 was dat een open vraag al werd er algemeen aangenomen dat dit zeker het geval moest zijn. Toen ontdekten Michel Mayor en Didier Queloz bij de ster Peg 51, die met een kleine verrekijker goed te zien is (5,5 mag.), de eerste exoplaneet.
    Dat was groot nieuws!
    Hoe worden de ontdekkingen gedaan? De belangrijkste methode is met de zogenaamde radiale snelheid: Een planeet “trekt” bij zijn rondgang om zijn ster een beetje aan die ster. Het licht dat wij van die ster ontvangen wordt daarbij een beetje in de richting rood verschoven als de planeet de ster iets van ons “weg” trekt, om het zo te zeggen. Het licht wordt een beetje blauwer als de planeet voor langs de ster gaat en de ster iets in onze gezichtsrichting trekt. De verschuiving naar rood of blauw in het spectrum geeft de snelheid aan waarmee de ster zich van ons af of op ons toe beweegt. Deze “radiale snelheid” verraadt de massa (omvang, dichtheid) van de trekkende planeet (als men de grootte van de ster kent). De ster en zijn planeet dansen in feite om het gemeenschappelijke zwaartepunt.
    Een andere methode exoplaneten te ontdekken is mogelijk als de planeet voor langs de ster trekt waarbij een klein dipje in de lichtsterkte optreedt, transit van een planeet langs zijn ster.
    Er zijn nog andere methoden ( o.a. microlensing) maar het wachten is vooral op betere instrumenten; zoals COROT.
    Behalve de in 1995 gevonden radiale snelheid van 51 Peg, veroorzaakt door zijn planeet, vond men later nog een verstoring in de radiale snelheid met een grotere periode. Is er bij 51 Pegasi nog een kleinere planeet op een grotere afstand?
    Ondanks de opmerkelijke vooruitgang in de precisie van deze metingen van radiale snelheid van oorspronkelijk 15m per sec. in 1995 tot ± 3m per sec. in 2003 was er een echte doorbraak nodig om kleinere planeten (met de afmeting van Neptunus i.p.v. Jupiter) te kunnen detecteren.
    Deze doorbraak vond plaats in 2003 met de introductie van het instrument HARPS, een ultiem gestabiliseerde spectrograaf voor de 3,6 m telescoop op het La Silla Observatorium in Chili. Nu kunnen snelheden worden gemeten die liggen onder de meter per seconde, te vergelijken met de snelheid van een wandelaar. (En dat aan een ster die 1,5 miljoen km groot is en op een afstand van tientallen lichtjaren staat). Anders gezegd, van nu af aan detecteerde men niet alleen hete Jupiters, tot dan met het beschikbare meetmateriaal de enige objecten die men kon ontdekken, maar ook kleinere planeten. Het instrumentarium bepaalt immers wat er ontdekt kan worden. Met behulp van HARPS (High Accuracy Radial Velocity for Planetary Spectrum) werd in 2004 zo de eerste planeet met een Neptunus omvang gevonden bij mu Arae: mu Ara c . Uit de c blijkt dat er al twee eerdere (grotere natuurlijk) planeten gevonden waren. De ontdekking van c was des te opmerkelijker omdat men eigenlijk niet naar een planeet zocht, maar de pulserende mu Arae beter wilde begrijpen.
    Maar een nog grotere ontdekking werd gedaan in 2006: drie “Neptunus” planeten rond een ster. Nu in 2007 heeft men een systeem van vijf planeten bij een ster gevonden.
    Maar aardachtige ontsnappen nog altijd aan het scheidend vermogen van de instrumenten. Om te zoeken naar planeten als onze aarde, waar leven mogelijk is, kunnen we alleen uitgaan van de kennis die we hebben van ons eigen zonnesysteem. We weten van ons zonnesysteem waar de bewoonbare zone moet zijn bij eens ster die qua samenstelling en grootte met de zon te vergelijken is. Als je dan aan een planeet denkt van de grootte van de aarde moet die een radiale snelheid hebben van 8cm per sec. Vergelijken we dat met onze precisie van nu, dan moeten we die met een factor ~ 50 kunnen verbeteren. We bewegen ons in die richting met de ruimte telescopen COROT en Kepler.
    COROT, een 30 cm ruimtetelescoop, gelanceerd 27 december 2006, is de eerste missie die kleinere, rotsachtige werelden kan spotten in een baan dicht bij de moederster, maar werelden die nog altijd enkele malen groter zijn dan de aarde. Daarmee baant deze ESA satelliet COROT de weg voor NASA’s Kepler-missie. Kepler gebruikt dezelfde methode, maar kan ook kleine rotsachtige planeten vinden ( hopen we) met een omvang van die van de aarde in een baan vergelijkbaar met die van onze aarde. Kepler zal in oktober 2008 wordt gelanceerd. Beide instrumenten werken met het transitsysteem: de planeet loopt voor langs de ster en blokkeert dan het licht van de ster een beetje. Dat wordt gemeten. De telling van Exoplaneten staat op een totaal van 264 exoplaneten, 11 nov.2007, met nog een update 13 nov.: 265 Aan het eind van dit boeiende betoog met prachtige, verhelderende powerpoint plaatjes stonden we als het ware reikhalzend uit te kijken naar een andere aarde ergens aan de overkant, in de verre toekomst, waarschijnlijk ver weg. Met een daverend applaus dankte de zaal de heer Govert Schilling voor deze prachtige toespraak.
    Een mooie middag in Middelburg, "Maastricht" dankt.